Buiten? Daar raast de wereld, heerst de werkelijkheid, gaat de natuur haar gang. Te luid, te veel, te aanwezig. Tenminste voor Rinus Van de Velde. Wanneer hij werkt, zoekt hij liever beschutting: zijn concentratie vindt hij binnen. Achter dikke muren. Daar, in het verborgene, groeien zijn verhalen, die vertellen over de wereld daarbuiten en tegelijkertijd een fantastisch parallel universum scheppen. Zo speelt zijn kunst zich af ergens op de grens tussen die twee werelden. Kersten Geers nam deze manier van werken van de Belgische kunstenaar serieus. Met zijn architectenbureau OFFICE bouwde hij voor hem een toevluchtsoord, dat experimenteert met de afwezigheid van licht en zelf tot een narratief wordt: één enkel raam verlicht het atelier op de eerste verdieping en omkadert de wild woekerende natuur als een schilderij. Vanuit het oogpunt van de werkende kunstenaar verandert de werkelijkheid in een abstract citaat. Van buitenaf beschouwd verschijnt het gebouw als een paradox: aanwezig afwezig. Een multiperspectivische verkenning ter plaatse aan de rand van de Belgische stad Leuven.
Rinus Van de Velde en Kersten Geers in gesprek met Julia Christian
Foto’s: Charlie de Keersmaeker
Rinus Van de Velde, u creëert ruimtes gemaakt uit polystyreen en karton. Uw alter ego’s, die nu eens verschijnen in houtskooltekeningen, dan weer in levensgrote keramiek of in films, beleven de wildste avonturen: op pad door de woestijn met een aktetas of eenzaam in het bos met een speenvarken aan het spit. Wat is de link tussen alle media en materialen die u gebruikt?
RVdV: Ik vertel verhalen. Begonnen ben ik met houtskooltekeningen. Ik was toen 20 en wilde ergens echt meesterschap in bereiken en binnen deze beperking vrijheid vinden. Daar was ik na tien jaar serieus op uitgekeken, en dat meesterschap met houtskool had ik slechts tot op zekere hoogte bereikt. Toen werd ik vader en zelfverzekerder. Als jonge kunstenaar vond ik het moeilijk te geloven dat een keramische asbak kunst kon zijn. Maar na 20 jaar actief in de kunstwereld dacht ik: nu doe ik het gewoon, ik heb er zin in. Zo ontdekte ik vele andere media. Maar wat blijft, is het basisidee: ik doe alsof ik een ander leven leid.
Is dit dan ook een van uw verhalen: je aan de rand van een woonwijk in een kleine Belgische stad een huis laten bouwen, maar eigenlijk in Antwerpen wonen?
RVdV: Ik wilde al lang een huis op het platteland. Maar een bos of echte natuur is mij te wild en te gevaarlijk. En ik ben hier in Leuven opgegroeid. Zo trok ik met mijn tekeningen naar OFFICE. Ik dacht aan veel glas, aan een moderne constructie, en toen zei Kersten...
KG: Veel te banaal!
RVdV: In plaats daarvan stelde hij voor om dit verwilderde stuk grond aan de achterzijde door middel van een raam ‘in te kaderen’ en van de natuur een kunstwerk te maken. Daar wist hij mij dadelijk mee te overtuigen.
KG: Hij wilde een huis op het platteland. Dus dat klopte. En buiten moest buiten blijven. Want daar ging het vooral om: zich kunnen terugtrekken.
Van een moderne glasconstructie naar een atelier met slechts één raam – dat moet u even uitleggen!
RVdV: Ik heb geen daglicht nodig bij het schilderen. Ik ben geen impressionist. Heel die discussie over dat noordelijke licht is overbodig. Elk kunstwerk komt anders tot zijn recht naargelang de omgeving. Is er misschien sprake van noordelijk licht in een woning of een collectie? Nauwelijks. En kunstlicht is tegenwoordig fantastisch!
Maar juist in úw kunst speelt licht of de afwezigheid van licht toch een centrale rol!
RVdV: Compositorisch, ja. En ook voor de manier waarop het is gebruikt geweest in de kunstgeschiedenis. Maar het heeft geen belang wanneer ik aan het werk ben in mijn atelier.
KG: Rinus’ idee van een atelier is eigenlijk een ‘anti-atelier’. Wanneer ik zo naar hem luister, bedenk ik dat in de architectuur vaak alles op een bepaald punt samenkomt en plotseling zin krijgt. Dat is misschien wel de schoonheid ervan, ook die van de kunst: men waardeert architectuur en kunst om soortgelijke of om uiteenlopende redenen, maar beide geven op meerduidige wijze uitdrukking aan gemeenschappelijke waarden. Je moet niet in het hoofd van een ander kruipen om hem te begrijpen. Maar soms zie je wel pas waarom iets voor een ander zinvol is, wanneer hij erover praat.
Betekent dit dat er twee perspectieven bestaan in het plannings- en bouwproces, die uiteindelijk samenkomen? Noch eigen realisatie noch opdrachtwerk, maar altijd geen van beide en beide tegelijk?
KG: Architectuur op zich is niet complex. Ze ís complex – dat is een deel van haar essentie – maar ze vindt haar oorsprong in duidelijke principes. Ik denk dat OFFICE soms volledig verkeerd begrepen wordt: “Och, die jongens zijn toch zó abstract en alles is altijd geometrisch.” Maar voor ons is dit het belangrijkste: het object moet authentiek zijn, echt zijn. Er is toch niets ergers dan ergens te staan en denken: “Welke idioot heeft dat ontworpen? Wat in hemelsnaam heeft die architect bezield? En dat daar?” Nee, men zou onmiddellijk iets moeten hebben van: ja, ik snap het.
Met ander woorden: vorm volgt functie?
KG: Nee, die uitdrukking zou ik niet gebruiken. Functionaliteit is een relict uit de jaren ’20: de keuken zo breed, de deur rechts. Ik bedoel een terugkeer naar een oud idee van architectuur: een ordening van ruimtes. Ruimtes hebben een bepaalde hoogte, ramen een bepaalde verhouding, en men komt de ruimte binnen van buitenuit. Of men nu de zetel hier plaatst of de ruimte die bedoeld was als woonzone, bureau wordt: dat maakt niet uit. Goede architectuur zorgt ervoor dat mensen zich comfortabel voelen in een ruimte.
Ook beschermd?
KG: Ik denk dat er altijd een band ontstaat tussen een persoon en de plaats waar die zich bevindt. Soms gaat het daarbij om een heel aparte vorm van bescherming: het huis dat we in Spanje hebben gebouwd heeft alleen een dak, geen muren, maar daarrond is zo veel wildernis, dat je alleen bent met jezelf. En hier lijkt het op het eerste gezicht, bijvoorbeeld, helemaal niet alsof er een band bestaat met dit stuk land.
Maar heeft kunst geen uitwisseling met de wereld nodig?
RVdV: Ik heb onlangs een boek gelezen van Werner Herzog. Hij schrijft: “Kijk naar de hemel, zelfs de sterren zijn chaotisch.” Deze wereld inspireert me weinig. Daarom zie ik af van grote ramen en een verbinding met de buitenwereld. Veel van mijn kunstwerken tonen huizen zonder ramen. Natuurlijk leef ik hier, de realiteit sluipt binnen, maar als kunstenaar reageer ik niet politiek op de buitenwereld. Ik put uit boeken en mijn verbeelding. Inspiratie vind ik wanneer ik in mijn atelier zit en nadenk. Een ware artiest is voor mij altijd alleen. Hij creëert zijn eigen universum.
KG: Wij wilden dit idee serieus nemen zonder er een parodie van te maken. Daarom hebben we trappen toegepast die aan het huis hangen. Als je ze intrekt, wordt de toegang geweigerd, zoals bij een ophaalbrug. Twee overkappingen – één vast, één regelbaar – creëren privacy en overdekte buitenruimtes. Daarnaast ziet het gebouw eruit als een kartonnen doos, een motief en een materiaal dat Rinus vaak gebruikt. Atelier en woonzone zijn niet verbonden.
RVdV: Een trap zou een verspilling van ruimte zijn! Ik gebruik de ruimte liever voor het ophangen en arrangeren van mijn werken. Ik vind het fijn dat het atelier een openbare ruimte is, gescheiden van mijn privé.
KG: Het achterste deel van het perceel wordt een openbare tuin. Samen met het atelier op de onderste verdieping maakt dit duidelijk dat het gebouw ook een maatschappelijke functie heeft en niet enkel een manifestatie is van iemands persoonlijke bouwfantasie. In overstromingsgebied bovendien.
Is het toegestaan om te bouwen in overstromingsgevoelige gebieden?
KG: Het is daarom dat het atelier bewust op een verhoogd niveau is geplaatst, op 1,20 meter boven de grond. Daaronder bevindt zich een holle ruimte voorzien van een geperforeerde gevel, waarlangs het water door het gebouw heen kan stromen. Men zou kunnen zeggen dat, samen met de ‘ophaalbruggen’, de constructie wel een ark van Noach lijkt.
Een ark van Noach als plek om zich terug te trekken uit de wereld… Heeft u die eenzaamheid nodig om uw vele artistieke dubbellevens te leiden?
RVdV: Een van mijn tentoonstellingen, geïnspireerd door Joseph Cornell, heette ‘Armchair Voyager’ (‘Leunstoelreiziger’ in het Nederlands, red.). Cornell woonde in New York en verliet nooit het huis dat hij deelde met zijn moeder. In de kelder construeerde hij kleine houten kistjes en creëerde daarin minuscule universa. De Armchair Voyager die vanuit zijn zetel de mooiste reizen maakt: voor mij klinkt dat als een prachtig leven.
“Misschien is dat wel de schoonheid van de architectuur en ook van de kunst: Men waardeert ze om soortgelijke of om uiteenlopende redenen, maar beide geven op meerduidige wijze uitdrukking aan gemeenschappelijke waarden.” – Kersten Geers
Beleven uw alter ego’s de avonturen in uw plaats?
RVdV: Vroeger had ik maar één alter ego, dat in elke tentoonstelling een hoofdstuk van zijn leven doorliep. Ik had allemaal van die notitieboekjes waarin ik dan dingen noteerde als: ik ben momenteel zo oud, ik heb een hond genaamd x. Maar ik wilde vrij kunnen reizen in tijd en ruimte. Dus liet ik alles los en zei tegen mezelf: vanaf nu is alles mogelijk. Ik kan schaakspeler zijn, tennisspeler of vriend van Claude Monet. En ik mag falen, een anti-held zijn. Dat geeft zo veel voldoening, zonder druk. Jezelf inbeelden iemand ander te zijn is diepmenselijk volgens mij. Kinderen doen dat constant. Kunnen dagdromen en fantaseren is een gave voor de mens – in je hoofd valt vaak meer te beleven dan in het echt.
Maar brengen we niet te veel tijd door in ons hoofd? Zouden we ons niet wat meer moeten richten op zintuiglijke indrukken?
RVdV: Toen ik 14 was, ging ik met mijn ouders naar de Grand Canyon. De reis ernaartoe duurde eeuwig en toen we uiteindelijk aankwamen, verkondigde ik: “Ik stap niet uit!” Ik was een vervelende tiener en dat is waarschijnlijk waarom ik ermee wegkwam. Ik heb de Grand Canyon nooit gezien; het zijn de schilderijen van David Hockney die me er jaren later mee in contact brachten. En eerlijk: niemand toont de Grand Canyon beter dan hij. Had ik die in het echt gezien, dan had ik waarschijnlijk gedacht: was dat het? Er bestaan zoveel goede documentaires, schilderijen en boeken – waarom moet je er dan per se naartoe?
Ook toen ik in Dallas stond, op de plek waar JFK werd vermoord, vroeg ik me af wat ik dan precies moest voelen. Dan kijk ik toch liever naar een documentaire, die me genoeg afstand biedt om na te denken over hoe deze aanslag de wereld heeft veranderd. Misschien ligt dat anders voor mensen die graag reizen...
“Kunnen dagdromen en fantaseren is een gave voor de mens – in je hoofd valt vaak meer te beleven dan in het echt.” – Rinus Van de Velde
Dus u houdt niet van reizen?
RVdV: Nee, de wereld is me te chaotisch en vol obstakels. Ik kan niet genieten van het proces. Niet slecht, want niet reizen is ook beter voor het milieu.
Geeft u in uw architectuur een antwoord op het klimaatprobleem?
KG: Ik zou liegen als ik ‘ja’ zei. We moeten stemmen voor de juiste partijen en de fiets nemen of te voet gaan in plaats van de auto te nemen voor de meest zinloze ritten. We moeten niet onnodig bijdragen tot het vergroten van de afvalberg – dat is onze bijdrage in de strijd tegen het klmaatprobleem. En ja, een gebouw moet idealiter heel lang meegaan.
Al tien jaar werken we nu aan de mediacampus voor Radio Télévision Suisse in Lausanne. Studenten die onze architectuur zien, reageren teleurgesteld: “Maar dat is gewoon een gebouw voor radio en televisie.” En ik denk dan: “Ja! Is dat een probleem?” In Antwerpen hebben we een voormalig slachthuis omgebouwd tot school, en iedereen is enthousiast, want het gaat over een herbestemming (lacht). Ik ben de architect van beide gebouwen en beide zijn op hun manier verantwoord.
Maar als we beginnen vervallen in het cliché van ‘correctheid’, dan verliezen we onszelf en doden we de cultuur. Dan herleiden we alles tot louter symbolische gebaren. Voor je het weet, moet Rinus stoppen met schilderen op doek, omdat dat te veel grondstoffen verbruikt. Ik betwijfel of dat de manier is waarop we de wereld gaan redden. Als architect heb je een publieke rol: wat communiceert een gebouw aan de mensen die erlangs lopen? Dát is verantwoordelijkheid. Een kleine context misschien, maar wel een precieze.
“Kersten stelde voor om dit verwilderde stuk grond aan de achterzijde door middel van een raam ‘in te kaderen’ en van de natuur een kunstwerk te maken. Daar wist hij mij dadelijk mee te overtuigen.” – Rinus Van de Velde
Is er een punt waar kunst en architectuur elkaar ontmoeten los van musea en ateliers?
KG: Architectuur gaat uiteindelijk over ‘kaderen’. Er is een binnen en een buiten, en misschien gebeurt de essentie wel op de overgang daartussen. Persoonlijk heb ik altijd een obsessie gehad met de schilderkunst, met de manier waarop een doek een wereld schept. Piero della Francesca, Ed Ruscha, Rinus... allemaal kunstenaars die onderling heel verschillend zijn, maar allemaal tonen ze een binnen en een buiten. Het is misschien al te simplistisch en clichématig gesteld, maar in de architectuur wordt een onderscheid gemaakt tussen een picturale en een sculpturale benadering. Donato Bramante is picturaal, Michelangelo sculpturaal. En ik denk dat wij, als bureau, altijd naar het picturale hebben geneigd, omdat onze gebouwen heel simpel zijn en gericht op visuele verbanden. De complexiteit van de vorm heeft nooit een grote rol gespeeld.
RVdV: Ook op doek worden hiërarchieën gecreëerd.
KG: Precies! Wat staat links, wat rechts, wat op de voorgrond en hoe diep is de ruimte? In beide disciplines zoekt men naar verbanden, kadert men, onderhandelt men over binnen en buiten, organiseert men ruimtes. Daarom ben ik zo blij met dit project, want er is dat ene moment waarop je elkaar raakt. Zonder pretenties. Niet omdat het gebouw per se het werk van Rinus moet weerspiegelen. Uiteindelijk is het een huis, en dat is ook goed zo, zolang hij zich er maar comfortabel in voelt.