Händlerlinks
Wat lang meegaat, is beter voor het milieu.
Reflectie van Vittorio Magnago Lampugnani.
Wat lang meegaat, is beter voor het milieu.
Gebouwen die lang meegaan, zijn van de beste middelen om de ecologische impact van architectuur te verminderen – misschien wel het beste middel dat er bestaat. Hoe langer een gebouw standhoudt, hoe efficiënter de inzet van de gebruikte hulpbronnen. In verhouding tot de gebruiksduur verbruikt het minder materiaal, vereist het minder energie bij de afbraak en genereert het minder afval. In dit opzicht is een historisch gebouw zoals het Romeinse Pantheon een schoolvoorbeeld van duurzaamheid en bij uitstek één van de meest ecologische gebouwen. Voor de realisatie ervan waren dan wel enorme hoeveelheden opus caementicium nodig, een vroege vorm van beton – de constructie was dus verre van klimaatvriendelijk – maar dat speelt vandaag eigenlijk geen rol meer: het Pantheon staat al bijna 2.000 jaar overeind en heeft, in verhouding tot zijn levensduur, opmerkelijk weinig grijze energie verbruikt. Ook zonder het te willen opnemen tegen dat indrukwekkende Romeinse monument: elk gebouw dat meer dan 100 jaar standhoudt, zal op energetisch vlak beter presteren dan het meest efficiënte en ecologische passiefhuis van nu. Gebouwen moeten zo worden ontworpen en gebouwd dat ze een maximale levensduur hebben. Ze moeten zo lang mogelijk in gebruik blijven, totdat ze echt aan het einde van hun levenscyclus zijn – en dat moment moet zo lang mogelijk worden uitgesteld.
Het is daarbij niet alleen belangrijk dat de gebouwen zelf zo vaak en zo lang mogelijk worden gebruikt, maar ook de materialen waaruit ze bestaan. Een eenvoudige, slimme en radicale strategie om spaarzaam om te gaan met bouwmaterialen, is ze te winnen uit verlaten gebouwen en ze opnieuw te gebruiken.
Deze strategie heeft een lange geschiedenis. Grondstoffen waren in het verleden duur en schaars. In de oudheid werden technieken ontwikkeld zoals terrazzo – een mengsel van kalk, cement en toeslagmaterialen, meestal marmerchips – om bouwafval uit sloopwerken te benutten. Met legtechnieken zoals het verweven Romeinse verband en de vrij gecomponeerde Palladiana werden restanten van steenplaten verwerkt die niet geschikt waren voor de klassieke, regelmatige patronen. We moeten terugkeren naar deze traditie van spaarzaamheid.
Maar ook al helpt het hergebruik van bouwmaterialen om grondstoffen te besparen en afval te verminderen, energie is er nog steeds nodig. Een nog betere ecologische balans dan bij het hergebruik van bouwmaterialen wordt bereikt door het hergebruik van complete bouwonderdelen.
Het toepassen daarvan in nieuwbouw kent eveneens een lange traditie. Historische steden zijn vaak gebouwd op de fundamenten van oudere stedelijke structuren. De monolithische Romeinse zuilen, meestal gehouwen uit hoogwaardige steen, werden opnieuw ingezet in de vroegchristelijke basilieken – zoals in de Lateranenbasiliek en de Sint-Pietersbasiliek in Rome. Waar de hoogtes verschilden, werden ze gelijkgemaakt met bases of kapitelen, waarbij het op veel plekken ook om hergebruikte bouwfragmenten ging. Deze praktijk bereikte haar apotheose in de Mezquita van Córdoba, waar tussen de late 7e en het einde van de 9e eeuw 856 zuilen van graniet, marmer, jaspis en onyx – voornamelijk afkomstig uit diverse antieke Romeinse bouwwerken – werden gebruikt om de hoefijzerbogen te ondersteunen die het dak van de enorme gebedshal dragen, en zo een indrukwekkende, fijn gestructureerde ruimte te creëren.
Niet alleen prestigieuze monumentale gebouwen, maar ook gewone huizen waren en bleven lange tijd palimpsesten van nieuwe en gevonden materialen. Alleen al om pragmatische redenen dacht niemand eraan om een degelijk gemaakte deur, een functionerend raam, een stenen dorpel of lijstwerk zomaar weg te gooien. In de eerste plaats hadden deze elementen een economische waarde – mogelijk ook een ambachtelijke, artistieke of emotionele.

Opdat het de moeite loont om materialen en bouwonderdelen te hergebruiken, moeten ze wel van blijvende waarde zijn. De hergebruikte bouwfragmenten die in het verleden werden behouden en opnieuw ingezet, waren niet alleen materieel, maar meestal ook artistiek waardevol – zozeer zelfs dat men zou kunnen aannemen dat ze soms niet zozeer uit praktische spaarzaamheid, maar eerder om esthetische verfijning werden hergebruikt.
Tegenwoordig gaat het meer om eenvoudige functionele elementen zoals ramen, deuren, vloeren, wastafels of kranen. Het hergebruik ervan wijst niet in de laatste plaats op het feit dat oude producten doorgaans ambachtelijk beter zijn dan nieuwe, en vaak een bijzondere uitstraling hebben. Maar ook nieuwbouw moet gericht zijn op het hergebruik van bouwmaterialen en -elementen. Concreet betekent dit: het gebruik van zo min mogelijk, zuivere, onvermengde en onbehandelde materialen – zonder coatings en verflagen; gemakkelijk te ontmantelen en net zo gemakkelijk opnieuw in te zetten bouwonderdelen; eenvoudige, degelijke ambachtelijke details; geen lijmverbindingen en siliconenafdichtingen, maar zuivere mechanische aansluitingen. Niet alleen de realisatie van een gebouw – de geboorte ervan – maar ook het leven en het levenseinde moeten worden meegenomen in het ontwerp.
Die architectuur van de duurzaamheid, zoals hier bepleit, bestaat nog niet – ze moet nog worden uitgevonden. En worden mogelijk gemaakt. Aan obstakels geen gebrek: de bouwmaterialen en -elementen die de bouwindustrie aanbiedt, zijn noch ontworpen voor een lange levensduur, noch voor meervoudig gebruik. Ook de bouwvoorschriften en -regelgeving zijn daar niet op afgestemd en staan soms zinvolle toepassingen in de weg. Het werk dat hoogwaardige en gerecycleerde constructies vereisen, is duur – maar het afvoeren van bouwafval kost bijna niets in vergelijking met de milieubelasting die het veroorzaakt. Dat moet radicaal veranderen.
Er moet echter ook, en vooral, iets veranderen aan de wijdverspreide mening dat iets wat oud, gebruikt en hérgebruikt is, functioneel en esthetisch minderwaardig zou zijn aan iets nieuws. Dit sprookje wordt ons hardnekkig ingeprent door de consumptiecultuur. Hetzelfde geldt voor het idee dat alleen extravagante, kwistige architectuur past bij het hedendaagse levensgevoel. Het tegendeel is juist waar. Werkelijk moderne architectuur, die niet alleen het streven naar duurzaamheid erkent, maar er ook daadwerkelijk op gebaseerd is, zal voor de lange termijn worden ontworpen – en daarbij zuinig omgaan met de benodigde hulpbronnen. Zo zal ze een nieuwe eenvoud uitdrukken, ja een soort archaïsme dat creatief ontleend is aan het oude.
Wat lang meegaat, is beter voor het milieu.
Vittorio Magnago Lampugnani, geboren in Rome, is architect en heeft aan tal van universiteiten zowel in Europa als in de VS lesgegeven; momenteel doceert hij aan de Graduate School of Design van Harvard. Hij leidt een bureau in Milaan en samen met zijn partner Jens Bohm ook een in Zürich: Baukontor Architekten. Zijn bureaus waren onder andere verantwoordelijk voor de Novartis-campus in Basel en het Richti-project in Wallisellen. Van 1990 tot 1995 was hij directeur van het Deutsches Architekturmuseum in Frankfurt am Main. Hij heeft talrijke veelgeprezen publicaties over stedenbouw en architectuur geschreven of uitgegeven. Reeds in zijn boek ‘Die Modernität des Dauerhaften’ (1995) pleitte hij voor een architectuur die duurzaam is door haar lange levensduur. Onlangs zette hij deze argumentatie voort in zijn paper ‘Gegen Wegwerfarchitektur’.
Wat lang meegaat, is beter voor het milieu.
Reframe Resilience
Hier vind je meer boeiende info over dit onderwerp.
Reframe Resilience.
Reframe Resilience.
Reframe Resilience.
Zie houdbaarheidsdatum – vier stemmen over het thema bestendigheid.
 
PageConfig.OriginalHttpReferrer: -
PageConfig.OriginalQueryString: