Is het uiteindelijk een kwestie van kiezen tussen efficiëntie en uniciteit? Tussen serieel geproduceerde woon- of werkeenheden en op maat ontworpen ruimtes? Nee, luidt het antwoord van Nathalie de Vries, medeoprichtster van het Nederlandse architectenbureau MVRDV. Waarom redeneren in tegenstellingen die dat niet hoeven te zijn? Zij denkt liever na over hoe architectuur een flexibel antwoord kan bieden. Over hoe gebouwen en bouwelementen te ontwerpen die in staat zijn zich aan te passen aan de behoeften van wie er woont. Architectuur die fundamenteel transformeerbaar is. Is het dan uiteindelijk een kwestie van modulaire elementen te definiëren en deze zo te combineren dat er iets unieks ontstaat? Een gesprek over de taal, taken en mogelijkheden van architectuur.
Arno Ritter in e-mailuitwisseling met Nathalie de Vries
Beeldcredits: Jason O’Rear, MVRDV, RZGraphics, Barbara Verbij, Schnepp Renou, Rob’t Hart, Ossip van Duivenbode
In het manifest ‘The language of MVRDV’ (2019) hebben jullie jullie ontwerpproces gesystematiseerd. Daarbij introduceerden jullie vier modules – ‘stack’, ‘pixel’, ‘village’ en ‘activator’ – en begrippen zoals ‘diversity’, ‘new collectivity’ en ‘density’. Het architectenbureau MVRDV is actief in diverse cultuur- en taalgebieden met uiteenlopende historische achtergronden: wilden jullie met deze op conceptuele tekens gebaseerde ontwerptaal de basis leggen voor een internationale dialoog over architectuur?
Ja, dat is wat we wilden doen. Maar het vertrekpunt was veel pragmatischer. We werden uitgenodigd om ons bureau en ons werk te exposeren in het Tiroler Architekturzentrum (AUT) in Innsbruck. Deze vraag kwam op het juiste moment, want we waren intern al een tijdje bezig met een nieuwe indeling te geven aan onze projecten en te discussiëren over verschillende benaderingen en concepten.
Tijdens deze gesprekken realiseerden we ons hoe belangrijk taal wel niet is in het ontwerpproces. We bemerkten verschuivingen: sommige begrippen waren verdwenen, andere waren erbij gekomen. Het was toen dat we ons bewust werden van het potentieel. We begrepen dat we met een duidelijk gedefinieerd begrippensysteem onze eigen architectonische taal kunnen creëren. Dit maakt ons ontwerpproces inzichtelijk en het faciliteert een internationale dialoog over architectuur. Ten eerste, omdat communicatie op basis van conceptuele tekens van nature internationaal is. Ten tweede, omdat onze woordenschat niet alleen beschrijft, maar ook uitdrukking geeft aan de verwachtingen die we hebben van architectuur.
Vanuit dit aanvankelijk interne proces hebben we een manifest ontwikkeld dat ook als concept voor de tentoonstelling diende. Het MVRDV-manifest onthult onze modulaire aanpak van ontwerpen en maakt het eenvoudiger om in abstracte termen te spreken over ruimte en architectuur – bijvoorbeeld over dichtheid, diversiteit of passende oppervlaktes. Zo ontstaat een taal die kan worden omschreven als drie- of misschien zelfs vierdimensionaal.
“Voor mij ligt de uitdaging erin geweldige confectieontwerpen te creëren en tegelijkertijd ruimte te laten voor individualiteit.” – Nathalie de Vries
Hoe kunnen we ons het ontwerpproces met jullie modulaire methode dan precies voorstellen, in jullie studio maar ook in relatie met jullie opdrachtgevers?
Zodra we de doelstellingen van het project hebben gedefinieerd, gebruiken we onze taal als hulpmiddel om verschillende ontwerpstrategieën te verkennen – met het oog op de algehele context, de specifieke locatie en het voorziene gebruik.
We ontwikkelen dan verschillende modellen en opties, die we aan de klanten voorstellen om een dialoog op gang te brengen over de mogelijkheden en de voor- en nadelen ervan. De uitwisseling over de ontwerpopties gebeurt visueel en driedimensionaal, aan de hand van fysieke en virtuele modellen. Alle betrokkenen kunnen het ontwerpproces mee vormgeven en beïnvloeden – en dat is toch wel bijzonder. Zelfs voor Nederlanders.
Welke rol speelt het thema modulariteit voor jullie? Het modulaire principe lijkt een terugkerend en dus cruciaal onderdeel van jullie architecturale taal te zijn.
Wij denken modulair, maar creëren toch vaak unieke structuren voor onze gebouwen. In principe zijn er verschillende antwoorden mogelijk op deze vraag. Enerzijds verstaan we onder module de kleinste ruimtelijke eenheid die we in een project identificeren, vaak met een sociale referentie, zoals de kleinste werkeenheid van een organisatie of een afzonderlijke wooneenheid. Anderzijds geeft een converteerbare module het gebouw een veelzijdig en modulair karakter. En last but not least – en dit wordt steeds belangrijker in het kader van duurzaamheid – kan een module ook verwijzen naar een individuele bouwcomponent, een gevelpaneel bijvoorbeeld, die het bouwproject economisch interessant maakt doordat de module in zijn geheel kan worden gedemonteerd en flexibel op een nieuwe manier kan worden ingezet.
Onze ontwerpen sluiten het dichtste aan bij het eerste antwoord, omdat dit een module beschrijft die niet alleen reproduceerbaar is, maar waar ook op kan gevarieerd worden en die in meerdere versies kan voorkomen. Dit brengt ons bij het begrip uit de catalogus. Het idee van de module – ‘pixel’ in onze taal – kan tot op zekere hoogte letterlijk worden gebruikt als input voor de programmering. Het resultaat is dan een ‘door data gemodelleerd’ ontwerp. Tegelijkertijd kan ik niet ontkennen dat de wortels van dit idee ook liggen in de structuralistische beweging, die in Nederland van grote invloed is geweest.
Kan je wat meer uitleg geven bij die invloed van het Nederlandse structuralisme? Welke architecten hebben jullie gevormd?
Het Nederlandse structuralisme ontstond eind jaren ’50 en begin jaren ’60 als reactie op de industriële en modernistische bouwwerken van de naoorlogse periode. Deze beweging in de architectuur werd geassocieerd met een maatschappijvisie die creativiteit, gelijkheid en openheid, het niet-hiërarchische, het creëren van kansen en spontane verbinding benadrukt. Interessant genoeg missen deze ontwerpen soms een duidelijke richting, die anders wel het buitengewone en het verhevene van een ’promenade architecturale’ mogelijk maakt. En de kans om te voldoen aan de behoeften van het individu werd soms al te zeer overschaduwd door het algemene. Toen wij studeerden, waren zowel Herman Hertzberger als vertegenwoordiger van de structuralistische beweging, alsook Rem Koolhaas belangrijke figuren, samen met een vaste groep docenten en hoogleraren die gelinkt waren aan de naoorlogse generaties van de Congrès Internationaux d’Architecture Moderne (CIAM).
Onze geschiedenis begint – zo je wil – in de late jaren ’80 en ’90, toen al deze elementen samenkwamen in het postmodernisme en het neoliberalisme. Wat ik wil, is architectonische en stedenbouwkundige projecten ontwikkelen die wat ik noem ‘nieuwe collectiviteit’ promoten: ruimtes waar gelijkgezinde mensen samenkomen en zich organiseren in grotere verbanden. Ik wil gebouwen vormgeven die multifunctionele ruimtes omvatten en verbinding creëren tussen de openbare en de private sfeer.
Hoe zou jij de verhouding tussen een modulaire aanpak en seriële concepten beschrijven? Hoe zijn deze ideeën met elkaar vervlochten in jullie projecten – of sluiten ze elkaar uit? Wat betekent het seriële voor jullie?
Ik gebruik modulariteit graag in twee contexten. Eerst en vooral, om kosten te besparen: modulariteit staat me toe het budget voor een bouwproject te herverdelen, zodat er extra zones en kwalitatieve ruimtes kunnen worden gecreëerd voor het faciliteren van ontmoetingen. Ten tweede vereenvoudigt modulariteit ook toekomstige verbouwingen. Voordat we opnieuw gaan bouwen, moeten we eerst denken aan verbouwen. Maar ook onze nieuwbouwprojecten moeten gemakkelijk te transformeren zijn. De uitdaging bestaat erin besparingen te vermijden die toekomstige verbouwingen bemoeilijken. Ik zorg er bijvoorbeeld altijd voor dat de hoogte van de verdiepingen en de plafonds niet te veel wordt beperkt.
Is er bij de vormgeving een rol weggelegd voor de ramen in jullie modulaire denken? Wat is het belang van glas in jullie architectuur?
Het is interessant te merken dat we op onze weg naar een duurzamere architectuur een comeback beleven van het structuralistische denken. Het is onmiskenbaar: we denken opnieuw na over de modulariteit van gebouwen, over flexibiliteit, converteerbaarheid, de CO2-balans, maar dan vanuit een nieuw ideologisch perspectief. Glas speelt hierin zeker een rol. In het modernisme stond glas vaak voor de afwezigheid van materiaal. Vandaag de dag heeft het zichzelf geherdefinieerd: het heeft zich letterlijk gerematerialiseerd. Energiewinsten en -verliezen, de vergelijking tussen daglicht en artificieel licht, de CO2-voetafdruk tijdens de productiefase, de vormgeving van gebouwen en, last but not least, het reflectievermogen van glas – al deze factoren bepalen de toepassing ervan. Daarbij komt ook nog het zicht naar buiten toe en de schoonheid van natuurlijk licht. Ons depotgebouw van het Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam en twee torens op de Tour & Taxis-site in Brussel tonen het hele spectrum van de toepassing van glas.
“Wij denken modulair, maar creëren toch vaak unieke structuren voor onze gebouwen.” – Nathalie de Vries
Steeds weer vrezen mensen dat de individualiteit verloren zal gaan naarmate er meer modulair en dus serieel gedacht en gebouwd wordt. Welke plaats geef jij de begrippen ‘serieel’ en ‘individueel’ in jouw visie? Welke inspiratie haal jij uit de spanning tussen deze polen? En wat betekent ‘individueel’ voor jou als architecte?
Voor mij ligt de uitdaging erin geweldige confectieontwerpen te creëren en tegelijkertijd ruimte te laten voor individualiteit. En dat bedoel ik letterlijk: de digitale ontwerptools van vandaag maken het mogelijk variaties aan te brengen zonder daarbij in inefficiëntie te vervallen.
Wie speelruimte en flexibiliteit wil behouden, moet tijdens de planningsfase minder gefixeerd zijn op het concrete gebruik van de ruimtes. Identiteit in de architectuur ontstaat niet alleen door de functie, maar ook door het karakter van een ruimte – door de vorm, het materiaal, de uitstraling ervan.
Je spreekt over ‘new collectivity’. Hoe implementeren jullie deze nieuwe collectiviteit in jullie projecten? Ontstaat die automatisch als gevolg van jullie ruimtelijke concepten of vraagt het om actieve sturing? In mijn ervaring werken gelijkaardige ruimtelijke benaderingen wanneer toegepast in verschillende culturen, vaak niet zoals gepland.
Dat is waar, we hebben ‘culturele vertalers’ en intercultureel denken nodig. Daarom zijn heterogene teams en samenwerking met lokale partners zo belangrijk. Maar zelfs binnen één land, of zelfs binnen één stad, verschillen de lokale behoeften en gedragingen sterk. Daarom moeten we putten uit een breed repertoire aan ideeën, methoden en maatregelen – en altijd de context goed in het achterhoofd houden.
Jullie bureau telt ongeveer 250 mensen van over de hele wereld. Kan deze ‘sociotoop’ van verschillende culturen worden opgevat als een vorm van ‘new collectivity’? En heeft dit concept ook een relevantie in jullie privéleven?
We leren inderdaad veel van elkaar en van onze gedeelde ervaringen. Of dit interculturele concept van belang is voor mijn privéleven, doet er niet toe, want dat is geen relevante maatstaf of schaal. Maar zoveel is duidelijk: als architect moet men een open geest bewaren, ruimdenkend zijn en het ontwerpproces begrijpen als een transparante dialoog.