Bij een bezoek aan een architectonisch werk dat je ooit intensief hebt bestudeerd, vindt er een ontmoeting plaats tussen wat je je voorgesteld hebt en de realiteit. Schaal, context en de kwaliteit van de ruimtes en het licht, die op foto’s vaak slechts beperkt zichtbaar zijn, kunnen verrassend of juist teleurstellend zijn. Architectuur die op een foto soms wat triviaal lijkt, kan zich op de plek zelf vaak met een onverwachte presentie aan je ontvouwen, terwijl expressieve bouwwerken polariserend kunnen werken. We kenden het werk, maar slechts oppervlakkig, en maakten de bewuste keuze om er ons vóór de reis niet extra in te verdiepen.
Tekst: Aitor Fuentes Mendizabal & Igor Urdampilleta
Foto’s: Marta Tonelli
Foto’s en tekeningen: Enrico Cano
In de buurt van Verona rijst de Villa Girasole van Angelo Invernizzi op aan het einde van een klassieke cipressenlaan, die zich uit het dal omhoog slingert. Omringd door wijngaarden en her en der verspreide landhuizen is de villa een combinatie van een futuristisch visioen en de esthetiek van een Italiaans landgoed.
De weg ernaar toe getuigt van een zorgvuldig geënsceneerde dramaturgie: eerst kom je langs het eenvoudige huis van de conciërge, dan wordt al gaande over het slingerende pad langzaam het silhouet van de villa zichtbaar. Maar voordat deze zich in alle glorie openbaart, nodigt een zwembad met een betonnen glijbaan in de vorm van een olifant je uit om even stil te houden. Daarna openbaart het huis zich in al haar schoonheid: een bouwwerk dat op een monumentale cilindrische trommel rust waarvan het volume overeenkomt met het huis.
De cilinder ziet eruit als een perceel op een perceel, een verhoogd podium voor het eigenlijke architectonische experiment, waarin de technische meesterhand van Invernizzi zichtbaar wordt: een 42 meter hoge wenteltrap met geïntegreerde lift, waar het hele gebouw zich omheen wentelt – bewegende architectuur, verankerd in zijn eigen rotatieprincipe.
Villa Girasole werd gebouwd tussen 1929 en 1935 en diende als buitenhuis voor waterbouwkundige en ondernemer Angelo Invernizzi, zijn vrouw Lina, die aan tuberculose leed, en hun zoon, die ook ziek was. Architectuur die niet alleen mechanisch, maar ook qua idee moest draaien om licht en heling.
Sinds de jaren 1920 was de zon een steeds grotere rol gaan spelen in de geneeskunde, vooral bij de behandeling van tuberculose. De architectuur, en dan met name bij ziekenhuizen, veranderde van een simpele verblijfplaats voor patiënten in een therapeutisch instrument dat door middel van de ligging en frisse lucht actief moest bijdragen aan het herstel. Een mooi voorbeeld hiervan is het Paimio-sanatorium in Finland, in 1929 ontworpen door Alvar Aalto: dit heeft navolging gevonden bij veel ziekenhuizen uit die tijd.
In Italië ging deze medische en architectonische transformatie hand in hand met het futurisme en Europees rationalisme – een vruchtbare voedingsbodem voor architectuur-experimenten. Tegen deze achtergrond durfde Angelo Invernizzi het aan om een draaibaar huis te bouwen. In plaats van een eenvoudig paviljoen zoals dat van de Franse arts Jean Saidman – bijvoorbeeld het in 1930 gebouwde draaiende solarium in Aix-les-Bains – ontwierp hij samen met architect Ettore Fagiuoli een L-vormig gebouw met meerdere verdiepingen. Het rust op een cilindrische sokkel, die gedeeltelijk moest worden ingegraven vanwege de helling. Dit fundament vormde de basis voor een architectuur die letterlijk de zon volgde.
Al aan de buitenzijde is de dynamiek van Villa Girasole te zien. Aan de achterzijde lopen de rails waarop het gebouw draaide – een detail dat het beweegbare karakter van het huis benadrukt. Het trappenhuis loopt taps uit, wat doet denken aan een vuurtoren. Met zijn balustrades en balkons lijkt de hele gevel heen en weer te bewegen tussen Bauhaus-esthetiek en het uiterlijk van een passagiersschip. Hier versmelten futuristische moderniteit en de functionele helderheid van het rationalisme – beweging niet alleen als technisch principe, maar als een karakteristiek ontwerpelement.
Ook de organisatie aan de binnenkant volgt een duidelijk principe: alle ruimtes zijn gericht op de binnenhoek van de L, terwijl de gang die daarachter loopt de beweging begeleidt – een logische structuur, omdat deze hoek steeds naar de zon staat gericht. De proporties van de ruimtes passen bij de schaal van een gewoon woonhuis maar wat betreft de ruimtelijke kwaliteit ervan blijft de architectuur verrassend sober. Wat het ontwerp echt spannend maakt, uit zich niet zozeer in de vormgeving maar door de suggestie van de beweging. Het gewicht van de draaibare constructie laat zich heel precies bepalen: 1.500 ton.
Het uitzicht op het landschap opent zich vanaf de galerij aan de bovenkant van de cilinder. Ooit was de tuin strikt geometrisch ingedeeld, maar nu, bijna 100 jaar later, is hij overwoekerd door vegetatie. De monumentale afmetingen volgen niet zozeer de verhoudingen van het huis maar bovenal de geometrie van de cirkel die het huis bij de rotatie beschrijft.
Naast het feit dat het huis kan draaien, is een van de andere opmerkelijke eigenschappen van het huis de bouwwijze ervan, en dan met name de vermindering van het gewicht dat zeer doelgericht is bereikt door het gebruik van avantgardistische materialen. De muren bestaan uit Heraklyth-platen (een licht isolatiemateriaal van houtwol), veel lichter dan conventioneel metselwerk. Aan de binnenkant werd er textiel over aangebracht ter accentuering van elegantie en lichtheid. De gevel heeft Invernizzi bekleed met aluminium platen, in de vorm van allemaal kleine, overlappende panelen, zoals bij de romp van de vliegtuig. Kortom: een villa die in alle opzichten dynamisch is.
De materiaalkeuze was echter niet alleen bedoeld om het gewicht te reduceren maar ook om de constructie zo flexibel mogelijk te maken. Om scheuren als gevolg van het draaien van het gebouw te voorkomen, moesten de materialen bewegingen kunnen absorberen. De textiele wandbekleding is elastisch, terwijl de kleine, overlappende gevelelementen minimale, onzichtbare vervormingen mogelijk maken. Hetzelfde geldt voor de vloeren: dankzij de ontelbare voegen tussen de mozaïektegels en parketvloeren bestaande uit smalle houten lamellen, kan de constructie de beweging volgen – architectuur die letterlijk de zon tegemoet gaat zonder te breken.
De actuele trend in de architectuur is om comfort te bereiken door het warmteverlies te beperken – gesloten, sterk geïsoleerde gebouwen kenmerken het beeld. Villa Girasole wil het tegenovergestelde: totale openheid. Toch verraden de technische installaties dat er voor die tijd al opmerkelijk veel aandacht voor comfort was. Ingebouwde radiatoren, stopcontacten in de vloer en gemotoriseerde jaloezieën die vanuit bed bediend kunnen worden, zijn het bewijs van een vooruitstrevendheid die al vooruitloopt op moderne woonconcepten.
Villa Girasole is als het ware een voorloper van de bioarchitectuur, die het energieverbruik vermindert door gericht te profiteren van zonnewarmte. Maar de villa bekijken vanuit hedendaags perspectief zou het gebouw tekort doen. Bovenal weerspiegelt de villa het buitengewone engagement van de maker, die zichzelf een bijna onmogelijke taak stelde – vergelijkbaar met de iconische scène uit ‘Fitzcarraldo’, de beroemde film van Werner Herzog, waarin een stoomschip over een berg wordt getrokken. Een massa van 5.000 m³, permanent aangesloten op het water-, riool- en elektriciteitsnetwerk, moest onvermoeibaar naar de zon draaien voor optimaal zonlicht én optimale gezondheid. Vandaag staat de constructie stil; reparatie blijkt lastig – een bewijs van welke grootse prestatie destijds is geleverd en de enorme innovatieve geestkracht waaraan deze ‘huismachine’ destijds is ontsproten.